Regionaal gidsmodel Betuwe en Bommelerwaard (G)
Elk regionale gidsmodel wordt gevisualiseerd met 9 afbeeldingen, De 4 afbeeldingen N1 t/m N4 verbeelden het natuurlijk systeem zelf, de afbeeldingen H1 t/m H3 de hechtingsfasen. Dat zijn 3 fasen in de relatie van het natuurlijke systeem en het grondgebruik, waaronder bebouwing en verkeer: hechting, aanhechting en onthechting (loskoppeling). De laatste twee K1 en K2 geven een beeld van de kwetsbaarheden voor klimaatveranderingen en ontwikkeling van natuur.
Het model van deze regio verbeeldt het jonge rivierkleilandschap van de West-Betuwe (rechts op de tekening) en de geleidelijke overgang naar het laagveenlandschap (links).
Stroomrug en oeverwal
Vanaf de laatste ijstijd (11.000 jaar geleden) hebben grote rivieren dit gebied vormgegeven. Zand en zavel werden afgezet waardoor zich stroomgordels met oeverwallen vormden. De rivieren verlegden vaak hun bedding waardoor een netwerk van stoomgordels is ontstaan. Klink en ontwatering leidden tot bodemdaling waardoor de stroomgordels nu lage stroomruggen in het landschap vormen. De Waal is een actieve stroomgordel (net als de Maas en de Lek, buiten dit model). De Linge niet meer.
Rivierkom
Rivierkommen zijn de laaggelegen vlakten tussen de stroomgordels. Aanvankelijk waren het riviermoerassen die regelmatig overstroomden. Ver van de rivier konden de kleinste slibdeeltjes bezinken. Daar vormde zich de zwaarste klei.
Uiterwaarden
Tussen rivier en winterdijk vinden we de uiterwaarden. De bodem bestaat hier uit zand, zavel en lichte klei. In de uiterwaarden van de (actieve) Waal wordt jaarlijks ongeveer 2 mm slib per jaar afgezet. Het maaiveld in de uiterwaarden ligt daardoor aanzienlijk hoger dan in de komgebieden.
Kolken en doorbraakgronden
Wanneer de winterdijken langs de rivier bezweken door hoge waterstand, ontstond achter de dijk een metersdiep kolkgat. De grond uit de kolk werd in een waaier over het lager gelegen landschap uitgespreid. Deze zogenoemde doorbraakgronden bestaan uit zand, grind en brokken klei en/of veen.
Laagveenlandschap
Naar het westen toe worden de komgebieden steeds veniger. Ze gaan geleidelijk over in laagveen. In de overgangszone bestaat de bodem uit klei op veen.
De diepere ondergrond bestaat uit een rivierterras van zand- en grindlagen uit de laatste ijstijd. Daarop liggen pakketten rivierklei, veenlagen en zandbanen die sindsdien zijn gevormd.
Rivierterras
Een rivierterras is een zand- en grindvlakte van een vlechtend riviersysteem, een rivier met meerdere geulen die voortdurend splitsen en weer samenstromen. Het rivierterras loopt van oost naar west licht af. Het terras bestaat uit zand en grind en is afgedekt met een stugge, zandige kleilaag van 0,5-1 meter dik.
Veen
Na de laatste ijstijd steeg de zeespiegel en werd het rivierengebied natter. Daardoor kwam veengroei op gang: van voedselrijk tot voedselarm. De basis van het veen (basisveen) kan zeer compact zijn. In de overgangszone van rivierklei- naar laagveenlandschap wisselen veen- en kleilagen elkaar af. In het geschetste model is het veen maximaal 5 meter dik.
Stroomruggen
Het rivierenlandschap is doorsneden met oude stroomruggen. De zandige geulafzettingen met bijbehorende oeverwallen reiken tot diep in de ondergrond. De oudste stroomruggen zijn aan de oppervlakte niet meer te zien, maar liggen dieper en zijn soms met komklei overdekt.
Rivierkomklei
De rivierkommen tussen de stroomruggen hebben een ondergrond van dikke lagen jonge rivierklei en kleiig zand (zavel), afgewisseld met veenlagen. In de laagst gelegen kommen, ver van de rivier, is de klei het zwaarst. Van oost naar west neemt het aandeel veen toe.
Uiterwaarden
In de uiterwaarden langs de Waal heersen actieve processen van erosie en sedimentatie. De bodem bestaat uit 1 à 2 meter klei op een zandondergrond. Daarover worden nog voortdurend zand en slib afgezet. De Linge is een bedijkte dode rivierloop. De uiterwaarden kunnen nog wel overstromen, maar afzetting van zand en klei vindt niet meer plaats.
Ongestuwde lagen
De ongestuwde ondergrond bestaat overwegend uit grofzandig, grindrijk materiaal dat al voor de voorlaatste ijstijd door rivieren is aangevoerd.
Smeltwaterzanden en smeltwaterleem
Tussen de stuwwallen liggen dikke pakketten verspoeld grof zand en grind. Droogdalen zijn later gedeeltelijk opgevuld met zand. In het bekken van de Leuvenumse Beek heeft een smeltwatermeer gelegen. Daarin is een dikke laag smeltwaterleem en -klei afgezet.
Keileem
In de Gelderse Vallei ligt onder de smeltwaterzanden een laag keileem. Keileem is een ongesorteerd mengsel van keien, grind, zand, klei en leem dat afgezet is door schuivend landijs. Ook in het IJsselbekken komen lagen smeltwaterleem en keileem (buiten de getoonde doorsneden) voor.
Dekzand
Lagen dekzand bedekken de bekkens en de flanken van de stuwwallen. Aan de westzijde van de Veluwe is het dekzandpakket dikker dan aan de oostzijde.
De grote rivieren en het grondwater stromen van oost naar west door het gebied. De rivieren zorgen voor infiltratie tijdens hoge afvoeren en drainage in droge perioden.
De rivieren
De Waal is de grootste vrij afstromende rivier van Nederland en kent een sterk fluctuerend peil. De Linge is afgedamd en vormt onderdeel van de boezem die water uit de laaggelegen polders afvoert. Ook andere oude restgeulen maken deel uit van dit poldersysteem. De Maas en de Lek (buiten dit model) zijn gedeeltelijk gestuwd.
Watervoerende lagen
Slecht waterdoorlatende klei- en veenlagen in de bovengrond belemmeren de verticale en horizontale stroming van water in de bodem. De laag rivierzand die daaronder ligt, is wel goed doorlatend. Deze vormt het 1e watervoerende pakket. Grondwater stroomt hierin van oost naar west. In de winter is de grondwaterspiegel in de bodem hoger dan de stijghoogte van het grondwater in het 1e watervoerende pakket. Dat betekent dat er dan wegzijging optreedt. In de zomerperiode zijn de standen vrijwel gelijk en is er wegzijging noch kwel.
Rivierkwel en drainage
Bij een hoge waterstand op de rivier stroomt water door zandbanen van oude stroomgordels naar het lager gelegen binnendijkse land. Dit noemen we rivierkwel. Bij een lage waterstand neemt de rivier juist het grondwater uit de omgeving mee (drainage).
Kommen en polders
Tussen de rivieren is een poldersysteem ingericht met dwarskaden, sloten en weteringen. Elke polder een eigen waterpeil. Via de boezems worden rivierkwel en regenwater uitgeslagen en rivierwater ingelaten.
Inundatiegebied
Tussen de grote rivieren liggen inundatiegebieden van de Hollandse waterlinie. Met een stelsel van kanalen, dijken en kades konden deze snel en gecontroleerd onder water worden gezet.
Kolken
Een kolk is een geïsoleerde diepe en open plas die het gevolg is van een dijkdoorbraak.
Grondwater
De ondergrond van de Veluwe vormt het grootste zoetwaterreservoir van Nederland. Het bestaat uit drie grote watervoerende pakketten. Als het peil in het eerste pakket hoog genoeg is, treedt grondwater aan de flanken van de stuwwal uit.
Grondwaterpeil en -stroming
De ondergrond van de stuwwal en de spoelzandwaaier bestaat uit een of meer watervoerende pakketten die van elkaar zijn gescheiden door lagen klei of leem. Het grondwaterpeil is, afhankelijk van hoogte van het terrein, tussen de 10 en 70 meter onder maaiveld. Regenwater infiltreert en vult het grondwater aan. Via de ondergrond stroomt het naar lagere delen. Dat gaat langzaam, waardoor het grondwaterpeil traag met de seizoenen fluctueert.
Kleischotten
De scheve ligging van de kleischotten leidt ertoe dat grondwater op verschillende niveaus op de stuwwalhelling uittreedt. Bovendien hebben de kleischotten verschillende oriëntaties die de richting van de grondwaterstroming bepalen. Op sommige plekken leiden kleischotten (of andere bodemlagen) tot stagnatie van water in vennen.
Bronnen, beken en sprengen
Op de stuwwallen treedt grondwater uit. Dat gebeurt op verschillende hoogtes in natuurlijke bronnen of in uitgegraven sprengkoppen diep in de helling. Aan de voet van de stuwwal kan grondwater uittreden in kwelvensters. De meeste bronnen en sprengen liggen aan de oost- en zuidzijde van de Veluwe. De Heelsumse, Renkumse en Leuvenumse Beek ontvangen hun water voornamelijk
Betuwe en Bommelerwaard vinden we hoog- en laagdynamische riviernatuur, relatief droge stroomruggen en veengebieden. Die afwisseling zorgt voor een gevarieerde natuurlijke vegetatie en een leefgebied voor veel diersoorten1.
Uiterwaarden
In de uiterwaarden zorgen de actieve rivieren, overstromingen en sedimentatie van zand en slib voor een gevarieerde dynamische riviernatuur. Er zijn overstromingsgraslanden en rivierbegeleidende (ooi)bossen. Droge zandige rivierduinen en oeverwallen bieden plaats voor stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden. De bandijken kunnen bijzonder bloemrijk zijn, met name de zuidhellingen. Dynamische riviermoerassen met open water komen voor rond oude nevengeulen (strangen).
Binnendijks rivierengebied
In het binnendijkse rivierengebied is de grond is (zeer) voedselrijk en basisch tot kalkrijk. Het gebied is echter alleen nog door kwelstromen en de boezem verbonden met de rivier. De natuur is daardoor rijk, maar minder dynamisch dan in de uiterwaarden. De natte kommen vormen een laagdynamisch rivier- en moeraslandschap. Er zijn rivierbegeleidende bossen, wilgengriend, vochtig weidevogelgrasland en stilstaand zoet open water. De hogere stroomruggen zijn relatief droog. Hier vinden we rijke graslanden en akkers met struweelhagen en haagbeuken en essen(hakhout)bossen. Rond landgoederen zijn park- en stinzebossen aangelegd.
Veengebied
Veengebieden zijn minder voedselrijk dan het rivierengebied. De grondwaterstand is er hoog en vrij stabiel. Kenmerkende natuurtypen zijn moerasvegetaties met begroeiingen van riet, zegge, wilgen en elzen. Veenweidegebieden met vochtige schraalgraslanden zijn een leefgebied voor weidevogels. In veenplassen komen naast open water bijzondere trilveenvegetaties voor.
Oorspronkelijk was de relatie tussen landschap en grondgebruik hecht. De kenmerken van het natuurlijke systeem waren bepalend voor landinrichting, bebouwing en infrastructuur. Op sommige punten is die hechte relatie tot na de tweede wereldoorlog gebleven.
Landgebruik
Het landgebruik concentreerde zich op de oeverwallen met zavelige vruchtbare gronden. Deze werden benut voor akkerbouw en fruitteelt (hoogstamboomgaarden). De uiterwaarden langs de rivieren werden van oudsher extensief gebruikt voor weidebouw en kleiwinning. De buitendijkse komkleigebieden met zware klei waren vaak moerassig. Er woonde niemand en de schaarse wegen waren moeilijk begaanbaar. De gebieden werden slechts zeer extensief gebruikt voor weidebouw, griendteelt en eendenkooien.
Bebouwing
Op de hoger gelegen en vruchtbare oeverwallen verrezen al rond 3000 v.Chr. de eerste nederzettingen. De bewoning heeft zich daar altijd geconcentreerd, ook na aanleg van de winterdijken. Met de slingerende stroomruggen, slingert ook de bebouwing door het landschap. Tussen oeverwal en kom werden logische verbindingswegen aangelegd.
Water
Vóór de bedijking van de grote rivieren overstroomden de kommen bij hoogwater. Een deel van het water stroomde daarna af naar lager gelegen kommen. Een ander deel stagneerde en infiltreerde langzaam in de kleibodem, waarbij slib kon bezinken. Langs oudere dijken kun je de sporen van de vele overstromingen duidelijk ervaren. Vanaf de middeleeuwen werden de rivieren onder controle gebracht met kribben en dijken. In feite is dit een vroege vorm van aanhechting: aanpassing van het natuurlijke systeem. Buitendijkse komgebieden kregen een poldersysteem waar het waterpeil met windmolens werd beheerst.
Tot circa 1960 werd het natuurlijke systeem in beperkte mate aangepast ten behoeve van bebouwing, infrastructuur en economische activiteit. De relatie tussen natuurlijk systeem en landgebruik nam af, maar werd nog niet volledig losgelaten. We spreken van aangehecht.
Landgebruik
Steeds meer moerassige komgronden werden ontgonnen op basis van een rationele verkaveling en efficiënte ontwatering. Op de oeverwallen werden de oude hoogstamboomgaarden gerooid. Er kwam grasland voor in de plaats.
Bebouwing
Veel dorpen werden uitgebreid met nieuwe buurten en wijken tussen de historische dijkdorpen en de rand van de oeverwal. Er kwamen nieuwe, verharde wegen waarlangs boerderijen werden gebouwd met nieuwe berm- en erfbeplantingen. Doorgaande wegen op de overgang van oeverwal en kom werden uitgebreid.
Water
Ten behoeve van intensief agrarisch gebruik werden afwatering en ontwatering
Na 1960 is de relatie tussen grondgebruik en het natuurlijke systeem steeds verder losgelaten. Sindsdien is het gebruikelijk om natuurlijke omstandigheden waar nodig aan te passen aan landgebruik, bebouwing en infrastructuur.
Landgebruik
De schaalvergroting heeft zich doorgezet en het grondgebruik is verder geïntensiveerd. Op de oeverwallen zijn akkerbouwbedrijven en boomteelt gegroeid. Ook de fruitteelt bloeide na 1980 (na een eerdere afname) weer op door aanleg van laagstamboomgaarden. Ook grote glastuinbouwbedrijven vestigden zich op de oeverwallen. In de komgebieden is veel grasland. Daar vinden we tot op de dag van vandaag ook natte natuurgebieden en oude
eendenkooien.
Bebouwing
Dorpen breidden zich over de hele breedte van de oeverwal uit. Dwars op de oeverwallen werden langwerpige boselementen aangebracht om dorpsuitbreidingen in te passen. In de kom zijn de ruilverkavelingsboerderijen veranderd in erven met burgerwoningen en andere boeren. De schuren van nu zijn vele malen groter dan die uit de tijd van de ruilverkaveling. Met de intensivering van het verkeer werden de doorgaande wegen op de overgang van oeverwal en kom opgewaardeerd tot provinciale wegen en snelweg (A15). Deze wegen vormen nu vaak een barrière in het natuurlijke systeem. Bij afslagen kwamen de eerste bedrijventerreinen tot ontwikkeling. Inmiddels breidt de bedrijvigheid zich ook uit tot middenin de kom.
Water
Landelijke gebieden zijn sterk ontwaterd. Water wordt snel en effectief afgevoerd, maar in perioden met droogte is er een tekort aan water.
Het klimaat verandert waardoor weersextremen groter worden. Vooral onthechte landschappen zijn kwetsbaar.
Droogte
De zomerafvoer van rivieren kan door klimaatverandering minder worden. Steeds vaker is de afvoer extreem laag. Dit heeft een dalend effect op de grondwaterstand in het rivierengebied. Inlaat van water uit de rivier binnendijks is dan niet langer mogelijk. Dit kan leiden tot watertekort en droogteschade in de landbouw en in grondwaterafhankelijke natuur zowel binnen- als buitendijks.
Bodemdaling en -zetting
Als gevolg van lage rivierstanden en daling van het grondwater in perioden van langdurige droogte zal de kwetsbaarheid van veengronden voor bodemdaling door veenoxidatie toenemen. Ook kleigronden kunnen krimpen bij uitdroging. Bodemdaling en -zetting kan leiden tot funderingsschade.
Wateroverlast
Door klimaatverandering kan de rivierafvoer vooral in de winter toenemen. Hoge rivierwaterstanden zorgen voor kwel binnendijks, met grondwateroverlast in de bebouwde gebieden tot gevolg. Ook langdurige neerslag kan leiden tot wateroverlast. Het risico op wateroverlast is het groots in de laaggelegen kommen en in de uiterwaarden van de Linge die, wanneer het overtollig water niet kan worden afgevoerd, overstromen.
Overstroming
De het binnendijkse rivierengebied ligt laag ten opzichte van de rivier. Bij hoogwater kan daardoor de Bandijk worden verzwakt door piping. Bij dat proces sijpelt rivierwater onder de dijk door en spoelt de zandige ondergrond weg. Het is een belangrijk faalmechanisme bij dijken.
Degeneratie bodem
Verdichting van de bodem door zwaar en intensief landgebruik vergroot de kans op wateroverlast.
Hittestress
In stedelijke kernen is er kans op hittestress. In de Betuwe en Bommelerwaard is die kans overigens beperkt.
Opwarming oppervlaktewater
Stilstaand (gestuwd) water zonder beschaduwing door bomen is gevoelig voor opwarming.
Het natuurlijke systeem wil zich aanpassen aan klimaatverandering. Ingrepen in het systeem en onthechting van grondgebruik hebben dat proces echter ingeperkt. De natuur neemt daardoor in kwaliteit en kwantiteit af.
Klimaatverandering
Door onthechting van grondgebruik en natuurlijk systeem zijn natuurlijke landschapsvormende processen (water, wind en vegetatiesuccessie) ingeperkt. De negatieve impact hiervan wordt door klimaatverandering sterker. Het systeem kan zich vaak niet meer aan klimaatverandering aanpassen.
Kwaliteit
De condities van het natuurlijke systeem zijn verslechterd. De kwaliteit van water, bodem en lucht biedt onvoldoende natuurlijke veerkracht. Stikstofdepositie verzuurt bodem waardoor de vitaliteit van de bossen en van diersoorten die er leven, afneemt. Uitspoeling van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en medicijnresten naar het grond- en oppervlaktewater vormen een bedreiging voor de waternatuur.
Areaal
Het leefgebied van planten- en diersoorten neemt af. Hierdoor kunnen bij calamiteiten zoals extreme weersomstandigheden populaties uitsterven. Vooral als die zich voordoen in het broed- of groeiseizoen.
Landgebruik
Grootschalig en intensief landgebruik leidt tot minder natuurlijke variatie en minder natuurlijke gradiënten tussen gebieden met verschillende habitatkenmerken. Hierdoor neemt de biodiversiteit af en vermindert de veerkracht van het systeem.
Versnippering
Natuurlijke leefgebieden zijn onvoldoende met elkaar verbonden. Planten- en diersoorten raken geïsoleerd en kunnen zich daardoor moeilijker voortplanten.